4.5 Grondslagen voor waardering van activa en passiva
4.5.1. Verwerking verplichtingen
In de jaarrekening worden naast juridisch afdwingbare verplichtingen tevens feitelijke verplichtingen verwerkt die kunnen worden gekwalificeerd als “intern geformaliseerd en extern gecommuniceerd”. Hiervan is sprake wanneer namens de corporatie uitingen zijn gedaan richting huurders, gemeenten en overige stakeholders over de verplichtingen inzake toekomstige herstructureringen en toekomstige nieuwbouwprojecten. Een feitelijke verplichting is gekoppeld aan het besluitvormingsproces van de corporatie rondom projectontwikkeling en herstructurering. Van een feitelijke verplichting is sprake indien de formalisering van de definitieve ontwerpfase en afgeleid daarvan de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend.
4.5.2. Vastgoed in exploitatie
Typering
Binnen de post vastgoed in exploitatie worden de volgende typen vastgoed onderscheiden:
- Woongelegenheden (eengezinswoningen, meergezinswoningen, studenteneenheden en extramurale zorgeenheden);
- Bedrijfsmatig en maatschappelijk onroerend goed;
- Parkeergelegenheden (parkeerplaatsen en garages);
- Intramuraal zorgvastgoed.
Het vastgoed in exploitatie wordt op objectniveau geclassificeerd naar DAEB- en niet-DAEB-vastgoed, rekening houdend met de criteria van de Beschikking van de Europese Commissie d.d. 15 december 2009 inzake de staatssteun voor toegelaten instellingen. DAEB-vastgoed betreft conform deze criteria de woningen met een huurprijs per contractdatum tot aan de huurliberalisatiegrens en het maatschappelijk vastgoed. Maatschappelijk vastgoed is bedrijfs-onroerend goed dat wordt verhuurd aan maatschappelijke organisaties, waaronder zorg-, welzijn-, onderwijs- en culturele instellingen en dienstverleners en tevens is vermeld op de bijlage zoals opgenomen in de EC-beschikking d.d. 15 december 2009. Niet-DAEB vastgoed omvat overeenkomstig deze criteria de woningen met een huurprijs per contractdatum boven de huurliberalisatiegrens en het bedrijfsmatig vastgoed (niet zijnde maatschappelijk vastgoed).
Patrimonium hanteert de basisversie van het Handboek modelmatig waarderen marktwaarde voor woongelegenheden (eengezins- en meergezinswoningen). Patrimonium hanteert de full versie van het Handboek modelmatig waarderen marktwaarde voor bedrijfsmatig en maatschappelijk onroerend goed en het intramuraal zorgvastgoed, omdat de huursom van dit vastgoed meer bedraagt dan 5% van de huursom van de DAEB-tak.
Waardering bij eerste verwerking
Bij de eerste verwerking worden de onroerende zaken in exploitatie gewaardeerd tegen de kostprijs. De kostprijs omvat de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, inclusief transactiekosten en verminderd met eventuele investeringssubsidies. De verkrijgings- of vervaardigingsprijs wordt bepaald als de som van de bestede externe kosten en de direct hieraan toerekenbare kosten. De in de toekomst te maken kosten voor sloop worden ten laste van het resultaat verantwoord in het jaar waarin de exploitatie door sloop wordt beëindigd.
Waardering na eerste verwerking
Onroerende zaken in exploitatie worden op grond van artikel 35 lid 2 van de Woningwet na de eerste verwerking gewaardeerd tegen actuele waarde. Op grond van artikel 31 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 vindt de waardering plaats tegen de marktwaarde in verhuurde staat, die overeenkomstig artikel 14 van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 plaatsvindt conform de methodiek die is opgenomen in bijlage 2 van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (‘Handboek modelmatig waarderen marktwaarde’). Patrimonium hanteert voor het merendeel van haar onroerende zaken in exploitatie de basisversie van het Handboek modelmatig waarderen marktwaarde. In de basisversie wordt de waardering van het vastgoed op portefeuilleniveau en de daaraan gerelateerde herwaarderingsreserve modelmatig bepaald. Bij deze waardering is geen taxateur betrokken. Hierdoor bestaat het risico dat de modelmatig bepaalde actuele waarde van het vastgoed afwijkt van de actuele waarde die met betrokkenheid van een taxateur tot stand zou zijn gekomen. Voor de waardering van het MOG/ZOG bezit wordt wel een onafhankelijke en ter zake kundige taxateur ingeschakeld.
Na eerste verwerking wordt een waardevermindering of – vermeerdering van de kostprijs als gevolg van de waardering tegen actuele waarde bepaald op complexniveau. De waardevermindering of - vermeerdering wordt in het resultaat verantwoord als ‘Niet-gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedbeleggingen’.
Complexindeling
Om de marktwaardewaardering van het onroerend goed in exploitatie te bepalen, zijn alle verhuureenheden opgedeeld in waarderingscomplexen. Een waarderingscomplex is een samenstel van verhuureenheden dat in principe bestaat uit vergelijkbare verhuureenheden voor wat betreft type vastgoed, bouwperiode en locatie, en dat als één geheel in verhuurde staat aan een derde partij kan worden verkocht. Alle verhuureenheden maken deel uit van een waarderingscomplex of zijn een afzonderlijk waarderingscomplex.
Doorexploiteer- en uitpondscenario
De geschatte toekomstige kasstromen worden bepaald op basis van de discounted cash flow (‘DCF’) methode. Voor woon- en parkeergelegenheden vindt de bepaling van de toekomstige inkomende en uitgaande kasstromen plaats aan de hand van enerzijds het doorexploiteerscenario en anderzijds het uitpondscenario, mede op basis van artikel 31 van het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (BTIV). De marktwaarde in verhuurde staat is op waarderingscomplex niveau bepaald op basis van de hoogste waardering van het doorexploiteer- of uitpondscenario, beide berekend op basis van de contante waarde van inkomende en uitgaande kasstromen.
Het doorexploiteerscenario veronderstelt dat verhuureenheden worden doorverhuurd, waarbij elk jaar bij een deel van de verhuureenheden de huurder verhuist. Bij de leegkomende verhuureenheden wordt verondersteld dat die eenheid opnieuw wordt verhuurd, waarbij de huur na mutatie wordt aangepast naar de potentiële huur op basis van de markthuur of de maximale huur op basis van het woningwaarderingstelsel. Aan het einde van een 15-jarige DCF-periode wordt een eindwaarde opgenomen. De kasstromen in de 15-jarige DCF-periode en deze eindwaarde worden vervolgens contant gemaakt naar balansdatum en opgeteld. De eindwaarde wordt bepaald op basis van de veronderstelling van doorexploiteren met een voortdurende looptijd, waarbij de afzonderlijke kasstromen zich ontwikkelen met de eigen groeivoet. Voor bedrijfsmatig en maatschappelijk vastgoed alsmede voor studentencomplexen, parkeergelegenheden en intramuraal zorgvastgoed is uitsluitend het doorexploiteerscenario van toepassing.
Het uitpondscenario veronderstelt dat verhuureenheden bij mutatie leeg en complexmatig worden verkocht. In tegenstelling tot het doorexploiteerscenario wordt de huur voor deze verhuureenheden niet aangepast, maar wordt daarvoor in de plaats de verwachte verkoopkasstroom opgenomen. Aan het einde van een 15-jarige DCF-periode wordt een eindwaarde van de nog niet verkochte verhuureenheden opgenomen. De kasstromen in de 15-jarige DCF-periode en deze eindwaarde worden vervolgens contant gemaakt naar balansdatum en opgeteld. De eindwaarde wordt bepaald op het verder uitponden van de aan het eind van het 15e jaar nog niet verkochte woongelegenheden.
Macro economische parameters
Om de te verwachten kasstromen in de DCF-berekening te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de macro-economische parameters:
| Parameters Woongelegenheden | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 e.v. |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Prijsinflatie | 3,30% | 3,20% | 2,60% | 2,20% | 2,20% | 2,20% | 2,00% | 2,00% |
| Loonstijging | 6,70% | 4,90% | 4,20% | 3,30% | 3,30% | 3,30% | 2,50% | 2,50% |
| Bouwkostenstijging | 4,90% | 4,20% | 3,30% | 3,30% | 3,30% | 2,50% | 2,50% | |
| Leegwaardestijging | 9,60% | 5,00% | 4,00% | 2,00% | 2,00% | 2,00% | 2,00% | 2,00% |
| Instandh.oh doorexpl.per vhe EGW | € 1.837 - € 2.521 | |||||||
| Instandh.oh doorexpl. per vhe MGW | € 1.748 - € 2.681 | |||||||
| Instandh.oh uitponden per vhe EGW | € 1.025 - € 1.357 | |||||||
| Instandh.oh uitponden per vhe MGW | € 1.040 - € 1.557 | |||||||
| Beheerkosten - EGW | € 569,07 | |||||||
| Beheerkosten - MGW | € 558,41 | |||||||
| Belastingen, verzekeringen en overige zakelijke lasten als % van de WOZ (excl. gem. OZB die is gebaseerd op de gemeentelijke tarieven 2025, uitgedrukt in een % van de WOZ waarde met waardepeildatum 1 januari 2024) | 0,07% van de WOZ-waarde. | |||||||
| Huurstijging boven index – zelfstandige eenheden | 0,43% | 0,50% | 0,81% | 0,74% | 0,71% | 0,66% | ||
| Grondslag voor opslag boven index | Vanaf 2026: prijsinflatie (t-1) | |||||||
| Huurderving, als percentage van de huursom | 1,00% | 1,00% | 1,00% | 1,00% | 1,00% | 1,00% | 1,00% | |
| Mutatiekans | 4,0% - 50,0% | |||||||
| Verkoopkosten bij uitponden, als percentage van de leegwaarde | 1,00% | |||||||
| Disconteringsvoet doorexploiteren | 5,58% - 6,40% | |||||||
| Disconteringsvoet uitponden | 7,39% - 8,21% | |||||||
In het doorexploiteerscenario wordt de huur bij mutatie aangepast naar de markthuur of de maximale huur, afhankelijk of de woongelegenheid bij mutatie is te liberaliseren. Indien de maximale huur lager is dan of gelijk is aan de huurliberalisatiegrens, dan is de nieuwe huur het minimum van de markthuur en de maximale huur volgens het woningwaarderingsstelsel. Indien de maximale huur hoger is dan de liberalisatiegrens, is de nieuwe huur de markthuur. Voor splitsingskosten is een norm gehanteerd van € 643,99 per te splitsen eenheid. De overdrachtskosten, bestaande uit overdrachtsbelasting alsmede overige aankoopkosten, bedragen 11,4% van de berekende waarde van een verhuureenheid.
| Parameters maatschappelijk onroerend goed | |
|---|---|
| Instandhoudingsonderhoud MOG | € 9,35 per m2 bvo |
| Mutatieonderhoud MOG | Technisch oh: € 15,62 per m2 bvo Marketing oh: 14% van de marktjaarhuur |
| Beheerkosten MOG | 2% van de markthuur |
| Belastingen, verzekeringen en overige zakelijke lasten als percentage van de WOZ (exclusief gemeentelijke OZB die is gebaseerd op de gemeentelijke tarieven 2025, uitgedrukt in een percentage van de WOZ waarde met waardepeildatum 1 januari 2024) | 0,13% van de WOZ-waarde. |
| Disconteringsvoet | 9,64% |
De overdrachtskosten, bestaande uit overdrachtsbelasting alsmede overige aankoopkosten, bedragen 11,4% van de berekende waarde van een verhuureenheid.
| Parameters intramuraal zorgvastgoed | |
|---|---|
| Instandhoudingsonderhoud | € 12.42 per m2 bvo |
| Mutatieonderhoud | Technisch oh: € 15,62 per m2 bvo Marketing oh: 14% van de marktjaarhuur |
| Beheerkosten | 2,5% van de markthuur |
| Belastingen, verzekeringen en overige zakelijke lasten als percentage van de WOZ (inclusief gemeentelijke OZB) | 0,35% van de WOZ-waarde. |
| Disconteringsvoet | 5,64% -8,89% |
De overdrachtskosten, bestaande uit overdrachtsbelasting alsmede overige aankoopkosten, bedragen 11,4% van de berekende waarde van een verhuureenheid.
Patrimonium heeft een vijftal complexen die kwalificeren als intramuraal zorgvastgoed en één object dat kwalificeert als maatschappelijk onroerend goed. Aangezien de huursom van dit vastgoed meer bedraagt van 5% van de totale huursom van de DAEB-portefeuille, vindt de waardering hiervan plaats op basis van de full-variant. Hierbij zijn de volgende vrijheidsgraden in acht genomen.
| Vrijheidsgraden | |
|---|---|
| Markthuur | ZOG: De markthuur voor het intramurale verblijf is ingeschat op basis van de opgenomen huurreferenties én getoetst aan de hand van de huurwaarde op basis van de beschikbare Normatieve Huisvestingscomponent (NHC) conform de beleidsregel BR/REG-26125a van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA). De cliënten van zowel Philadelphia alsook van ’s Heeren Loo behoren goeddeels tot de sector verstandelijke gehandicapten (VG). Ter bepaling van de markthuur is uitgegaan van de NHC exclusief de functies behandeling en dagbesteding. Voor het complex Infinity geldt dat er mogelijkheid is voor dagbesteding en om die reden is gerekend inclusief de functie dagbesteding. De totale inkomsten uit NHC zijn gecorrigeerd met 15-20% ter dekking van mutatieleegstand, overhead (centraal kantoor) en huurdersonderhoud. Op onderdelen is een extra correctie toegepast zodat meer wordt aangesloten bij opgenomen referenties. De berekende markthuur is per complex getoetst aan de opgenomen referenties voor verblijfsonderdelen. Uit de referenties blijkt dat huurprijzen variëren van circa € 600 tot circa € 850 per plaats per maand. De berekende huurwaarden liggen goeddeels binnen deze bandbreedte. De ingeschatte markthuren liggen meer aan de bovenkant van de bandbreedte en zijn relatief hoog ten opzichte van de referenties. Dit kan worden verklaard doordat het kabinet in september 2025 € 400 miljoen structureel heeft vrijgemaakt voor een tariefverhoging van 13% per 2026 (en 2,5% reguliere indexatie). Om die reden is de markthuurstijging ten opzichte van 2025 substantieel. De referenties zijn van voor deze tariefverhoging. MOG: De markthuur van de ruimten met een maatschappelijke bestemming wordt comparatief bepaald op basis van de referenties van maatschappelijk objecten. De huurprijs voor de ruimten binnen het object Caritas worden bepaald op € 100 per m2 VVO, derhalve totaal € 39.600 op jaarbasis. |
| Disconteringsvoet | De disconteringsvoet is ingeschat op basis van de object specifieke kenmerken, het vigerende huurcontract en de opgenomen transactiedata. Uit beleggingstransacties blijkt een gemiddeld aanvangsrendement van 5,5% tot 10%. De hoogte van het BAR is met name afhankelijk van de geografische ligging van het complex, de publiekrechtelijke bestemming, de duur van het huurcontract en de courantheid van de opstallen (in relatie tot de restwaarde), het bouwjaar en de solvabiliteit van de huurder. De onderkant van de bandbreedte heeft met name betrekking op langjarig verhuurde (> 15 jaar) en recent gebouwde complexen. De disconteringsvoet is opgebouwd uit een risicovrije rentevoet (2,77%), vastgoed sectorspecifieke opslag (4,87%) en een object specifieke op- of afslag. Dit resulteert in de volgende disconteringsvoeten; ZOG: 5,64% - 8,89% / MOG: 9,64%. |
| Mutatiekans | In geval van expiratie wordt het huurcontract opgezegd of verlengd. In geval van opzegging dient rekening gehouden te worden met mutatiekosten. Ter bepaling van de mutatiekosten is een mutatiekans opgenomen. De mutatiekosten (als modelparameter) worden bij expiratie huurcontract vermenigvuldigd met deze mutatiekans. Dit betekent (ter illustratie) dat bij een mutatiekans van 50% de mutatiekosten in het betreffende jaar voor helft worden meegenomen in de DCF-analyse. De mutatiekans wordt voor alle complexen ingeschat op 50%. De wederverhuurtijd, ter bepaling van de mutatieleegstand, is gesteld op zes maanden. De looptijd van een nieuw huurcontract is ingeschat op vijf jaar. |
| Onderhoud | Opdrachtgever heeft, behoudens complex Infinity, voor ieder complex een MJOP ter beschikking gesteld. In afwijking van de modelparameters is in de waardering voor wat betreft de onderhoudskosten uitgegaan van deze begrotingen inclusief indexatie. De begrotingen houden, in tegenstelling tot normparameters, rekening met de bouwkundige kenmerken van het betreffende complex en de actuele onderhoudsstaat. |
| Exit yield | De eindwaarde is bepaald op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode. De exit-yield v.o.n. is afgeleid van actuele aanvangsrendementen waarbij rekening wordt gehouden met de technische en functionele veroudering van het complex. Voor complex Het Ruim en Schotbalk wordt vanwege de objectspecifieke kenmerken uitgegaan van scheiden wonen en zorg. De kamers zijn relatief klein en de omvang van de complexen beperkt. Om die reden is voor deze complexen een hogere exit-yield gehanteerd: de markthuur voor regulier wonen ligt lager hetgeen gecorrigeerd wordt in een hogere exit-yield. Voor Het Hop, Parelhof, Kotter en Infinity wordt uitgegaan van een voortdurende exploitatie, de exit-yield voor deze complexen is derhalve lager. Dit resulteert in de volgende exit yields; ZOG: 7,0% - 11,75% / MOG: 10,75%. |
Uitgaven na eerste verwerking
Uitgaven na eerste verwerking die voldoen aan de algemene activeringscriteria worden geactiveerd tegen kostprijs en vervolgens getoetst aan het verschil in marktwaarde van het complex vóór en na deze uitgaven. Het marktwaardeverschil wordt in het actief verwerkt als een waardevermindering of - vermeerdering en in het resultaat verantwoord als ‘Niet gerealiseerde waardeveranderingen vastgoedbeleggingen’.
Jaarlijks wordt op balansdatum de actuele waarde van de onroerende zaken in exploitatie opnieuw bepaald. (Ongerealiseerde) winsten of verliezen, die ontstaan door een wijziging in de actuele waarde, worden verantwoord in de winst-en-verliesrekening. Indien op complexniveau de actuele waarde de boekwaarde op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs (kostprijs) overtreft, wordt een herwaarderingsreserve gevormd die wordt toegelicht bij het eigen vermogen. De boekwaarde op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs betreft de initiële verkrijgings- of vervaardigingsprijs (dus niet verminderd met cumulatieve afschrijvingen en waardeverminderingen).
Grondslagen voor de bepaling van de beleidswaarde
De beleidswaarde sluit aan op het beleid van Patrimonium en beoogt inzicht te geven in de verdiencapaciteit van haar vastgoed in exploitatie, uitgaande van dit beleid. De grondslagen voor de beleidswaarde van het vastgoed in exploitatie zijn opgenomen in het Handboek marktwaardering per 31-12-2025, waarbij de definities deels overeenkomen met de grondslagen voor de bepaling van de marktwaarde, met uitzondering van:
- Uitgaan van uitsluitend het doorexploiteerscenario en derhalve geen rekening houden met een uitpondscenario en geen rekening houden met voorgenomen verkopen van vastgoed in exploitatie. Hierbij wordt uitgegaan van een voortdurende looptijd, waarbij de kasstromen vanaf jaar 15 doorlopen tot en met jaar 60 waarna geen eindwaarde wordt ingerekend.
- Inrekening van de intern bepaalde streefhuur in plaats van de markthuur, vanaf het moment waarop een (huurders)mutatie wordt ingeschat.
- Inrekening van toekomstige onderhoudslasten, bepaald overeenkomstig het (onderhouds)beleid van de corporatie en het als onderdeel daarvan vastgestelde meerjaren onderhoudsprogramma voor het vastgoedbezit, in plaats van marktconforme onderhoudsnormen.
- Inrekening van een eigen norm voor verhuur- en beheerlasten in plaats van marktconforme lasten terzake. Hieronder worden verstaan de directe en indirecte kosten die rechtstreeks zijn te relateren aan de verhuur- en beheeractiviteiten van de corporatie en zoals deze worden opgenomen onder het hoofd ‘lasten verhuur en beheeractiviteiten’ in de winst- en verliesrekening.
- De marktdisconteringsvoet wordt vervangen door een sociale disconteringsvoet.
Voor zover afwijkend van de voor de bepaling van de marktwaarde in verhuurde staat, zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de toekomstige exploitatie - zoals toegepast voor de berekening van de beleidswaarde van de vastgoedportefeuille in exploitatie - afgeleid van de meerjarenbegroting (onder meer ontwikkeling streefhuur, onderhoudslasten en de lasten van verhuur & beheer) en geënt op de wettelijke voorschriften opgenomen in RTiV artikel 15.
4.5.3. Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor de eigen exploitatie
Typering
Dit betreffen complexen in aanbouw die zijn bestemd om te worden ingezet als vastgoed in exploitatie.
Waarderingsgrondslag
Vastgoed in ontwikkeling bestemd voor eigen exploitatie wordt gewaardeerd tegen uitgaafprijzen en toegerekende kosten van het werkapparaat uit hoofde van voorbereiding, toezicht en directievoering. Voorts wordt rente tijdens de bouw toegerekend vanaf het moment dat daadwerkelijk met ontwikkeling is gestart. Rente wordt uitsluitend toegerekend indien voor te vervaardigen materiële vaste activa noodzakelijkerwijs een aanmerkelijke hoeveelheid tijd nodig is om deze gebruiksklaar te maken. De geactiveerde rente wordt berekend tegen de gemiddelde rentevoet over het totale vreemde vermogen. Voor onroerende zaken waarvoor specifieke financiering is aangetrokken wordt de interestvoet van deze specifieke financiering gehanteerd.
Bijzondere waardevermindering
Wanneer de marktwaarde van de onroerende zaken in ontwikkeling, bepaald op basis van dezelfde grondslagen als voor de onroerende zaken in exploitatie (inclusief macro economische parameters), lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, vindt afwaardering naar deze lagere waarde plaats. Deze afwaardering wordt in de resultatenrekening verantwoord onder ‘overige waardeveranderingen vastgoedportefeuille’.
4.5.4. Onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie
De onroerende en roerende zaken ten dienste van de exploitatie worden gewaardeerd op basis van aanschafwaarde onder aftrek van lineaire afschrijvingen gedurende de verwachte toekomstige gebruiksduur en eventuele bijzondere waardeverminderingen. Niet aan de bedrijfsuitoefening dienstbare activa worden gewaardeerd tegen de verwachte opbrengstwaarde.
4.5.5. Financiële vaste activa
Latente belastingvorderingen
Zie Voorzieningen.
Overige vorderingen
Vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie, doorgaans de nominale waarde, en na eerste verwerking tegen de geamortiseerde kostprijs. Wanneer de ontvangst van de vordering is uitgesteld op grond van een verlengde overeengekomen betalingstermijn wordt de reële waarde bepaald aan de hand van de contante waarde van de verwachte ontvangsten en worden er op basis van de effectieve rente de rente-inkomsten ten gunste van de winst-en-verliesrekening gebracht. Voorzieningen wegens oninbaarheid worden in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering.
4.5.6. Voorraden
Vastgoed bestemd voor de verkoop
Vastgoed beschikbaar en bestemd voor de verkoop wordt gewaardeerd op marktwaarde in verhuurde staat of lagere opbrengstwaarde.
Overige voorraden
De voorraden in het magazijn worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijzen onder toepassing van de FIFO-methode (first in, first out) of lagere opbrengstwaarde.
4.5.7. Vorderingen
Vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie. Vorderingen worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs, veelal gelijk aan de nominale waarde. Een voorziening voor oninbaarheid gebaseerd op een statische beoordeling per balansdatum wordt in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering.
4.5.8. Liquide middelen
Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en direct opeisbare deposito’s met een looptijd korter dan één jaar. Rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder schulden aan kredietinstellingen onder kortlopende schulden. Liquide middelen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
4.5.9. Eigen vermogen
Het eigen vermogen van de corporatie bestaat uit de overige reserves die voortkomen uit de resultaatverdelingen en de gevormde herwaarderingsreserves.
De herwaarderingsreserve wordt gevormd op waarderingscomplexniveau voor het positieve verschil tussen de marktwaarde van het vastgoed en de boekwaarde op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, zonder rekening te houden met afschrijvingen of waardeverminderingen.
Ongerealiseerde waardeverminderingen op waarderingscomplexniveau worden in mindering gebracht op de herwaarderingsreserve, voor zover de boekwaarde op basis van marktwaarde hoger is dan de boekwaarde op basis van verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De herwaarderingsreserve wordt gevormd ten laste van de overige reserves. Het gerealiseerde deel van de herwaarderingsreserve van op marktwaarde gewaardeerde onroerende zaken in exploitatie wordt rechtstreeks ten gunste van de overige reserves verantwoord.
De overige reserves worden gevormd door toevoegingen en onttrekkingen uit hoofde van de resultaatbestemmingen. Daarnaast wordt de herwaarderingsreserve gevormd ten laste van de overige reserves.
4.5.10. Egalisatierekening
Egalisatierekening uitgegeven erfpachtrechten
De uitgegeven erfpachten hebben betrekking op verkochte onroerende zaken waarvan de grond in erfpacht is uitgegeven. Deze rechten worden in het jaar van uitgifte tegen nominale waarde verantwoord. De ontvangen afkoopbedragen worden jaarlijks (lineair) ten gunste van het resultaat gebracht op basis van een erfpachtsduur van 50 jaar.
4.5.11. Voorzieningen
Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen en verliezen die op balansdatum bestaan waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de hoogte redelijkerwijs kan worden geschat. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen per balansdatum af te wikkelen. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen, tenzij anders vermeld.
Voorziening onrendabele investeringen en herstructureringen
Verwachte verliezen als gevolg van onrendabele investeringen nieuwbouw worden als bijzondere waardeverandering in mindering gebracht op de boekwaarde van het complex waartoe de investeringen gaan behoren. Indien en voor zover de verwachte verliezen de boekwaarde van het betreffende complex overtreffen wordt een voorziening gevormd. Onder verwachte verliezen wordt in dit verband verstaan de netto contante waarde van alle investeringsuitgaven minus aan deze investering toe te rekenen ontvangsten.
Latente belastingvorderingen en –verplichtingen
Latente belastingvorderingen en –verplichtingen worden opgenomen voor tijdelijke verschillen tussen de waarde van de activa en passiva volgens fiscale voorschriften enerzijds en de boekwaarden die in deze jaarrekening gevolgd worden anderzijds. De berekening van de latente belastingvorderingen en – verplichtingen geschiedt tegen de belastingtarieven die op het einde van het verslagjaar gelden, of tegen de tarieven die in de komende jaren gelden, voor zover deze al bij wet zijn vastgesteld.
Latente belastingvorderingen uit hoofde van verrekenbare verschillen en beschikbare voorwaartse verliescompensatie worden opgenomen voor zover het waarschijnlijk is dat er toekomstige fiscale winst beschikbaar zal zijn waarmee verliezen kunnen worden gecompenseerd en verrekenings-mogelijkheden kunnen worden benut. Latente belastingvorderingen zijn opgenomen onder de financiële vaste activa, latente belastingverplichtingen zijn opgenomen onder de voorzieningen.
Belastinglatenties worden gewaardeerd tegen contante waarde. Latente belastingen worden contant gemaakt tegen de nettorente. De nettorente is de voor de toegelaten instelling geldende rente op langlopende leningen onder aftrek van belastingen op basis van het toepasselijk belastingtarief.
4.5.12. Langlopende schulden
Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Een eventueel verschil tussen het ontvangen bedrag en de reële waarde van de lening wordt verantwoord op basis van de bij die transactie horende economische werkelijkheid. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Het verschil tussen de bepaalde boekwaarde en de uiteindelijke aflossingswaarde wordt op basis van de effectieve rente gedurende de geschatte looptijd van de schulden in de winst-en-verliesrekening als interestlast verwerkt. Voor extendible /tijdvakleningen wordt de effectieve rente bepaald op basis van de gemiddelde contractuele rente over de volledige looptijd van de lening, ervan uitgaande dat de vaste rente in het tweede tijdvak betaald moet worden.
De aflossingsverplichting voor het komend jaar van de langlopende schulden is opgenomen onder de kortlopende schulden. In extendible leningen besloten derivaten worden afgesplitst en separaat verantwoord. Het effect van de dergelijke contractuele bepalingen wordt meegenomen in de effectieve rentevoet; de reële waarde ervan wordt toegelicht in toelichting onder de balanspost overige langlopende schulden.
4.5.13. Afgeleide financiële instrumenten (derivaten)
Patrimonium maakt gebruik van rentederivaten en heeft embedded derivaten welke zijn afgescheiden van het basiscontract.
Derivaten worden bij eerste opname in de balans opgenomen tegen reële waarde, de vervolgwaardering van de derivaten geschiedt tegen geamortiseerde kostprijs of lagere marktwaarde. De wijze van verwerking van waardeveranderingen van het afgeleide financiële instrument is afhankelijk van of met het afgeleide financiële instrument kostprijshedge-accounting wordt toegepast. Indien geen kostprijshedge-accounting wordt toegepast, wordt door Patrimonium een schuld opgenomen voor een eventuele negatieve reële waarde van het derivaat. Mutaties in de negatieve waarde worden direct in de winst- en verliesrekening verwerkt.
Patrimonium past waar mogelijk kostprijshedge-accounting toe. Op het moment van het aangaan van een hedgerelatie, wordt deze door Patrimonium gedocumenteerd. Patrimonium stelt middels een test periodiek de effectiviteit van de hedgerelatie vast. Dit gebeurt door het vergelijken van de kritische kenmerken van het hedge instrument met die van de afgedekte positie, of, indien deze kenmerken niet overeenkomen, door het vergelijken van de verandering in reële waarde van het hedge-instrument en de afgedekte positie.
Bij het toepassen van kostprijshedge-accounting is de eerste waardering en de grondslag van verwerking in de balans en de resultaatbepaling van het hedge-instrument afhankelijk van de afgedekte post. Dit betekent dat Patrimonium derivaten tegen kostprijs waardeert omdat de afgedekte leningen ook tegen kostprijs in de balans worden verantwoord.
Het ineffectieve deel van de hedgerelatie wordt direct in de winst- en verliesrekening verwerkt indien het hedge-instrument een negatieve reële waarde heeft.